Select Page

DE ONNOEMBARE STEM VAN BECKETT

Samenvatting: Wat te zeggen wanneer het niet een verhaal is, hoe te spreken over de ervaring van het lezen, van Beckett. Niet over, maar in een tekst spreken, hem verderzetten, niet ontdaan van hysterie, met dezelfde woorden iets anders beginnen zeggen, altijd verder beginnen. Zo psychische noties ervaren die elkaar niet zozeer wederzijds uitsluiten, maar onder spanning zetten: lezen/schrijven; verdwijnen/verschijnen; plezier/genot. Het veld van die spanning de pulsie noemen, in dit geval, bij de lectuur van Beckett, bij uitstek de pulsie van de stem die tijdens het lezen aan de oppervlakte komt.

SCHIZOFRENIE, FILOSOFIE, EN HET ONGRIJPBARE ZELF

Samenvatting: Filosofen wenden zich vaak naar schizofrene ervaring om filosofische assumpties aangaande het wezen van het zelf empirisch te bevestigen. In deze context geldt het fenomeen van gedachteninsertie als een gepriviligeerd voorbeeld aangezien het geacht wordt het wezen van normale zelfervaring te reveleren op een pathologische of negatieve wijze. In deze bijdrage zullen we een dergelijke filosofische benadering kritisch bespreken die gedachteninsertie tracht te verhelderen in termen van een ‘verlies aan agency’ dat geacht wordt het normale denken te karakteriseren. In het tweede deel zullen we ook de meer algemene assumptie kritisch bekijken dat schizofrenie begrepen kan worden als een ‘via negativa’ die toegang verleent tot de evidenties en ervaringen die het normale leven zouden kenmerken. Daartegenover zullen we het idee naar voor schuiven dat zowel filosofie als schizofrenie een bepaalde hyper-reflexieve attitude delen ten aanzien van het alledaagse leven. In de conclusie ontwikkelen we een aantal implicaties van dit idee voor huidige benaderingen van gedachteninsertie en bespreken we de contouren van een alternatief model.

DE STEM ALS WEERKLANK VAN DE LEEGTE VAN DE ANDER

Abstract: Vertrekkende van het lacaniaanse onderscheid tussen het zeggen en de stem onderzoekt dit artikel het statuut van de stem als object a. Lacan verbindt de stem als object a met de dimensie van de tijd: wat telt is de scandering, niet de verklanking. Doorheen zijn onderwijs zien we hoe deze opvatting zich scherp stelt: van stilte naar coupure naar mogelijkheidsvoorwaarde voor elk spreken. Met Bernard Baas vinden we hier als illustraties de lyrische stem, de behoeftige stem en de stomme stem. In de subjectwording is de stem als driftobject werkzaam als de stille resonantie van de leegte aan de Ander. Lacans dense theoretisering wordt tenslotte in dialoog gebracht met Ogawas roman De Geheugenpolitie. In het bijzonder is hierbij aandacht voor de overdraagbaarheid en de uitwissing als onderscheidende trekken van de stem als object a.

ONGEHOORDE ECHO’S – OVER EEN ‘WURGING’ VAN HET OOR IN DE ALLEDAAGSE PSYCHOSE

Samenvatting: Bijzonder aan Echo is dat ze tegelijk spreekt en stil is. Het is immers haar stilte die spreekt terwijl haar spreken stil is. Echo kan niet zwijgen als je tegen haar spreekt, maar spreken in de eerste persoon kan ze niet. In deze paper bespreken we een casus die ons iets kan leren over de stem in zijn verhouding tot de stilte en de ruimte, of het gebrek daaraan. Over de echo’s van het spreken en de echo’s van de stilte in een bijzonder lichaamsfenomeen waarin pijn en genot lawaaierig verknoopt zijn. Via een vertaalslag in de conversatie trachten we op een pragmatische wijze op zoek te gaan naar stabiliserende ademruimtes tussen mond en oor in een geval van alledaagse psychose.

DE STEM VAN DE AFWEZIGHEID: PROUST EN DE TELEFOON

Samenvatting: Het artikel onderzoekt de verwantschap tussen Freud en Proust vanuit de stelling dat “het vinden van het object altijd een terugvinden is”. Waar Freud het psychisch apparaat denkt vanuit de onmogelijkheid een oorspronkelijk verloren object te recupereren, wordt Prousts Recherche gestructureerd door een dynamiek van begoocheling en ontgoocheling, ingebed in de poging het verlorene (de verloren tijd) te herwinnen en te behouden. Deze thematische convergentie wordt in het artikel toegespitst op de beroemde telefoonscène met de grootmoeder uit Le Côté de Guermantes. Een close reading van deze passage toont hoe bij Proust de confrontatie met de stem als zodanig – als geïsoleerd ‘object’, losgemaakt van het beeld – een breuk aanbrengt in de imaginair- narcistische omhulling van de Ander, en aldus, zij het vluchtig, iets van diens castratie laat verschijnen.

PSYCHOSE EN GENOT: OVER-PIJN-ZINGEN

Samenvatting: In Lacans onderwijs lezen we dat de stem wordt gekenmerkt door een spanning tussen enerzijds het spreken dat onderworpen is aan de wet of aan het discours, en anderzijds iets van de orde van het reële: het object a, als wat voorbij het discours ligt. Deze spanning vormt het vertrekpunt van dit artikel en wordt in het bijzonder binnen de context van psychose onderzocht. Vertrekkend vanuit de lacaniaanse theorie wordt, aan de hand van een klinisch vignet van een manische patiënt, nagegaan hoe het driftmatige karakter van de stem zich in de kliniek manifesteert en op welke wijze het genot daarin kan worden bewerkstelligd. Daarnaast wordt een muzikale analogie gemaakt met zowel opera als metalmuziek, waarbij de spanning tussen schreeuw en betekenis, tussen jouissance autre en jouissance phallique, en tussen prima la voce en prima le parole centraal staat.