WAAR EEN GOD IS, IS EEN WEG… ZO GOD HET WIL DJINNS, BOZE OGEN EN CULTURELE REPRESENTATIES OP DE DIVAN

Samenvatting: Inshallah – als Allah het wil –, zijn hoogstwaarschijnlijk de woorden die het vaakst over de lippen van heel wat moslims rollen. Deze uitspraak legt het lot in handen van God, wat we in de praktijk vaststellen in de observatie dat veel patiënten een religieus gekleurde verklaring toebedelen aan hun klachten. Een ‘beproeving’, ‘Gods wil’, ‘het boze oog’, door een djinn bewoond,… zijn slechts enkele van de veelheid aan pogingen om het lijden te symboliseren. De expliciete verwijzingen naar de Koran die als Goddelijke Openbaring op geen enkele manier voor interpretatie vatbaar is, schrijft dit discours een schijnbaar gesloten karakter toe. Hoe verhoudt deze ‘objectieve’ waarheid zich tot enerzijds Freuds verwijzingen naar religie als een illusie (1984 [1927]) en een collectieve waan (1987 [1927]), en anderzijds “Dieu est mort, plus rien n’est permis” (Lacan, 1966, p. 130)?

In naam van welke god? De heilige oorlog als snelweg naar het hemels leven. Islam en het westen, een onmogelijk huwelijk?

Niettegenstaande Freud (1984, [1930]) religie als een illusie beschouwt, waarschuwt hij ons er eveneens voor, jaren later herhaald door Lacan (2005, [1960), om religie niet met dwang uit onze maatschappij te weren. Enkele decennia later zijn deze woorden brandend actueel in het maatschappelijk debat of er in een democratisch Westen plaats is voor de islam. De verwijzing naar het jihadisme en de terreurdaden die in naam van Allah gepleegd worden, zijn hierbij het voornaamste argument om de plaats van de islam in ons land in twijfel te trekken. Het valt daarbij op dat vaak jongeren die hier geboren zijn zich aangetrokken voelen tot een radicale interpretatie van de islam waarbinnen een duidelijke vijand gelokaliseerd wordt en men via de operatie van een geweldsakt de eeuwige held, ‘de negatieve held’ (Khosrokhavar in: Benslama, 2015), kan worden. Als ‘surmusulman’ (Benslama 2015; 2016) bestrijdt men de eigen interne twijfels en angst en vindt men een sluitend antwoord op elke existentiële vraag in een postislamisme dat zich als alternatief wereldbeeld aandient. Deze postislam fungeert daarbij als het identificatiebeeld dat een uitweg biedt uit de vraag of men nu allochtoon dan wel autochtoon is. Het radicale islamitische gedachtengoed zoals we dit vandaag zien, kunnen we zodoende interpreteren als een symptoom van onze maatschappij, als een politieke en sociale beweging en niet als een terugkeer naar de traditie, noch als een louter religieuze stroming.

The Immigrant and Singularity: An “odd” Couple?

Migration is currently under investigation. On the one hand questions are raised as to whether immigrants are assimilating the norms and values of their new country quickly enough. On the other hand, in a clinical context, it is observed that mental illness when encountered in immigrants is culture-specific. However, these observations cannot be interpreted without taking account of the double context in which the immigrant is embedded: that of their native country and now the host nation. The issue of “identity” and the social context in which it derives plays a crucial role in discourse about immigrants. The objectifying public debate about migration has clear clinical repercussions at an individual level and there is a need to reframe these cultural representations from a psychoanalytic perspective. This means that the function of religious speech also deserves our attention during a cure with an immigrant. A clinical illustration of a Muslim in psychotherapy clarifies how the coordinates of a Lacanian thinking can function as a universal language to understand the singular logic of the subject.