DWELLING ON THE DIRECTION OF THE TREATMENT FOR THE HOMELESS SUBJECT

Summary: The article highlights the importance of therapeutic labor and open-ended psychoanalytic treatment in a therapeutic community while trying to express how a psychoanalyst should not defensively withdraw one’s desire to listen in the face of people who are homeless and impoverished (which would only reveal the resistance of the analyst), but can deploy an ethics given some variations to the more ‘classical’ psychoanalytical frame so that the homeless subject is able to speak about their own suffering.

L’ART D’ÊTRE AIMÉ(E). DE EROTOMANIE ALS POTENTIËLE BUFFER TEGEN DE PASSAGE À L’ACTE.

Samenvatting: In dit artikel wordt de dissertatie van Jacques Lacan over het geval Aimée opnieuw onder de loep genomen. Meer bepaald wordt aan de hand van een uitgewerkt casusvoorbeeld nagegaan of de erotomanie moet beschouwd worden als een bemeesteringspoging tegen de passage à l’acte, dan wel als overspoelende waanvoorstelling. De oorsprong en evolutie van het begrip worden uitvoerig besproken om nadien de sprong te maken naar de kliniek. Aan de hand van een eigen gevalstudie wordt er stilgestaan bij de singulariteit van een dergelijke erotomane constructie en de functie ervan voor de persoon in kwestie. De beroemde casus van Aimée dient hierbij als extra referentiepunt om voeling te krijgen met dit psychoanalytische concept.

DE PARANOÏDE CRISISERVARING: MANOEUVREREN TUSSEN ZEKERHEID EN AMBIVALENTIE

Samenvatting: Deze paper zet aan vanuit een eigen, neurotische verwondering in ontmoeting met de kliniek van de psychose, meer specifiek rond de crisiservaring in de paranoia. Gecondenseerd rond de idee van ‘ambivalentie’ tracht deze een spoor te trekken dat drie momenten in Lacans onderwijs doorkruist en omspant: Lacans vroege werk over de paranoia aangezet vanuit zijn doctoraat, de scène van taal en betekenaar vanuit het opstel D’une question préliminaire à tout traitement de la psychose, en een topologische benadering vanuit het seminarie over Le sinthome. Het is mijn eerste betrachting dat langsheen dit parcours iets helder kan komen te staan van wat men de paranoïde crisis noemt. Daarnaast zal de idee van ‘ambivalentie’ doorheen deze verschillende contexten steeds nieuwe betekenisinhouden vinden en echo’s produceren. Zo zal duidelijk worden dat wat eruit ziet als een psychotische ‘ambivalentie’ beantwoordt aan een logica van verbrokkeling en ontkoppeling, altijd rond het punt dat de taal het subject binnenvalt, en welke antwoorden het hierop geformuleerd krijgt.

TIJD VERBEELD. (RE)ANIMATIE & HET NIETS IN HET WERK VAN DAVID CLAERBOUT EN HIROSHI SUGIMOTO

Samenvatting: Dit artikel biedt een reflectie over de mogelijkheden van het beeldend medium in het vatten van temporaliteit. Om een antwoord te formuleren op deze vraagstelling worden David Claerbouts Retrospection (2000) en Kindergarten Antonio Sant’Elia (1932) uit 1998 vergeleken met Hiroshi Sugimoto’s In Praise of Shadows (1998) en Theaters (1975-2001). De besproken kunstwerken illustreren een verlangen om de ervaring van tijd, de tijdsduur, te verbeelden door de tijd niet alleen als concept, maar ook als materie aan te wenden. De manier waarop de kunstenaars dit benaderen is heel verschillend; in zijn videoprojecties animeert Claerbout het verleden van zwart-witfoto’s door digitaal beweging te introduceren in een stilstaand beeld. Zo plaatst hij het vervlogen moment uit het verleden opnieuw binnen een tijdsverloop in het heden. Waar er geen temporaliteit meer was, introduceert Claerbout de tijd. Deze videoprojecties creëren bijgevolg een bevreemdend spanningsveld tussen beweging en stilstand waardoor verleden en heden met elkaar versmelten in een ‘continue’ tijdsbeleving zonder begin of einde. Waar David Claerbout in zijn videokunstwerken aan de hand van beweging de tijd in stilstaande foto’s introduceert, comprimeert Hiroshi Sugimoto in de fotoreeksen In Praise of Shadows en Theaters temporaliteit in abstracties. De foto’s zijn visuele getuigenissen van een tijdsverloop die de kunstenaar ‘ondergaat’. Het resultaat zijn niet-beelden; de tijd toont zich als een abstractie, een reëel niets voorbij de voorstelling. Ondanks de verschillende benaderingen worden beide kunstenaars geconfronteerd met de onmogelijkheid om de ervaring van tijd te verbeelden. De tijd blijft een eindeloze herhaling, een eeuwigheid heden zonder begin of einde. Vanuit dit eeuwigheidsperspectief kunnen de besproken kunstwerken begrepen worden binnen een melancholisch discours, waarin de kunstenaars onophoudelijk zoeken naar een manier om de reële ervaring van temporaliteit te symboliseren. Net zoals de ervaring van tijd zelf, situeren de besproken kunstwerken zich bijgevolg tot dit reële register, dat wars-van-zin is, juist omwille van de reële status van tijd. De besproken kunstwerken van David Claerbout en Hiroshi Sugimoto fungeren bijgevolg als opstapjes; singuliere oplossingen binnen het discours van de kunstenaar om de reële ervaring van tijd te mediëren in een eigen taal, voorbij het imaginaire en het Schone, waarin het eigenlijke probleem, nl. de reële ervaring van tijd, gesublimeerd wordt tot een tijdelijke oplossing.

WAAR EEN GOD IS, IS EEN WEG… ZO GOD HET WIL DJINNS, BOZE OGEN EN CULTURELE REPRESENTATIES OP DE DIVAN

Samenvatting: Inshallah – als Allah het wil –, zijn hoogstwaarschijnlijk de woorden die het vaakst over de lippen van heel wat moslims rollen. Deze uitspraak legt het lot in handen van God, wat we in de praktijk vaststellen in de observatie dat veel patiënten een religieus gekleurde verklaring toebedelen aan hun klachten. Een ‘beproeving’, ‘Gods wil’, ‘het boze oog’, door een djinn bewoond,… zijn slechts enkele van de veelheid aan pogingen om het lijden te symboliseren. De expliciete verwijzingen naar de Koran die als Goddelijke Openbaring op geen enkele manier voor interpretatie vatbaar is, schrijft dit discours een schijnbaar gesloten karakter toe. Hoe verhoudt deze ‘objectieve’ waarheid zich tot enerzijds Freuds verwijzingen naar religie als een illusie (1984 [1927]) en een collectieve waan (1987 [1927]), en anderzijds “Dieu est mort, plus rien n’est permis” (Lacan, 1966, p. 130)?