Genieten en genoten worden: een studie over genot aan deze en gene zijde van het lustprincipe

Genot is een van de kernconcepten binnen Lacans onderwijs. Dit artikel poogt iets van dit domein vast te grijpen, eerst vanuit filosofische hoek, vervolgens vanuit psychoanalytische hoek. Binnen het veld van de filosofie wordt het accent op Plato en Aristoteles gelegd. De eerste definieert genot als effect van wat iemand doet, de laatste als de manier waarop iemand iets doet. Beide filosofen koppelen genot aan het goede. Dit is waar het veld van de psychoanalyse een ander standpunt inneemt. Hoewel Freud aanvankelijk een heerschappij van het lustprincipe voorstelde, besluit hij dankzij het klinisch werk dat er een aan gene zijde van het lustprincipe moet bestaan. Lacan werkt deze piste verder uit via de fallische jouissance – wat begrepen wordt als seksueel genot en gereguleerd wordt door de fallische wet – en de Andere jouissance – een genot dat net als bij Aristoteles gekenmerkt wordt door de afwezigheid van het subject als subject. Deze laatste vaststelling wordt teruggevonden en beschreven in een klinisch vignet.

The Wanderings of Jouissance, with the Object a in the Pocket: On Differential Diagnosis in Psychosis

In clinical practice, when confronted with a suspected psychosis, it is critical that, beyond simply providing a label, the diagnosis is verified and further specified with regard to the particular psychotic structure: paranoia, schizophrenia, mania, melancholia or autism. Each psychotic structure requires a specific kind of treatment. When this is clarified, it will allow us to take up an appropriate position in the transference and it to orient ourselves in relation to treatment. One approach is to determine the status of the object a and the jouissance within the logic of the case. For example, the paranoiac situates the jouissance in the Other, the schizophrenic will struggle with the jouissance in the body and the autistic subject will have troubles with language and the Other. In the case of melancholia we see that the subject fully identifies with the object a and finally, in mania, the object a will no longer function. Clinical examples of each of these structures are provided.