REALITY’S SLIP OF THE TONGUE ON THE RELATION BETWEEN CONCEPT AND REALITY

Summary: Regardless of the type of theory or knowledge praxis one engages in, the question of the relation between theory and practice or theory and reality arises as a problematic one. To address this issue, this article explores the limits of the nominalist argument that views concepts as post res labels attached to concrete objects. Among other things, the reality to which the number zero (as a concept) corresponds constitutes a major difficulty for nominalism. Based on this difficulty, the article elaborates another epistemological view, a specific kind of rationalism or dialectical materialism that can be found in the work of Sigmund Freud and Jacques Lacan. This dialectical materialism emphasizes the specific ability of concepts to mark and realize negative features in reality, making it possible to effect changes in it. In this sense, both the question of the relation of theory to reality and that of change in psychoanalytic practice can be viewed from a different angle than that of a simple one-to-one correspondence. To put this view to the test, the article explores the extent to which it can get a grip on some of the slippery fundamental concepts of psychoanalysis, such as the unconscious and sexuality.

TRAUMA, VICTIMHOOD AND SUBJECTIVITY

Summary: This paper sets out to analyse victimhood as an identity marker after experiences of sexual victimization. Experiences of victimization do not necessarily entail a sense of victimhood. In reference to Lacan’s allegory of the robbery, it is argued that the constitution of subjectivity in relation to the Other is structurally preceded by an instant of victimization. The difference between structural and accidental victimization is then described. For victimization to develop into victimhood, two psychic processes play a role. First, victimhood is the outcome of a process of symbolico-imaginary identification that is fed by contemporary trauma discourses and cultural representations of victimhood. Second, victimhood is the result of a process of identification with (the object of jouissance of) the aggressor as described by Ferenczi. Finally, a distinction is made between victimhood in the hysteric subject and in the perverse subject. These two types of victimhood are illustrated with vignettes of sexual abuse.

TIJD VOOR THERAPIE TIJDSGELIMITEERDE THERAPIE IN HET LICHT VAN LACANS LOGISCHE TIJD

Samenvatting: In onze huidige maatschappij ligt de focus meer en meer op waarden zoals efficiëntie, logica en instrumentalisme. Binnen dit discours wordt de duur voor psychotherapie makkelijk beschouwd als berekenbaar en meetbaar. Echter, vanuit een lacaniaans oogpunt is het onmogelijk om de ‘tijd om te begrijpen’ op voorhand te voorzien. In dit artikel exploreren we het contrast tussen deze twee discours door middel van interviews met psychoanalytische therapeuten die in een tijdsgelimiteerde setting werken. We bestudeerden hun ervaring met het werken met een tijdslimiet en op welke punten dit botste met hun gebruikelijke, lacaniaanse manier van werken. De invloed van een tijdslimiet was zichtbaar op drie punten: de tijdslimiet had een sluitend effect op de patiënten hun spreken; patiënten hun verwachtingen veranderden door de tijdslimiet en tenslotte merkten de therapeuten dat patiënten aliëneerden van hun eigen subjectieve tijd door het vooropgestelde tijdskader. Dit artikel toont hoe het inbrengen van een tijdslimiet in een psychoanalytische psychotherapie niet alleen patiënten en therapeuten hun ervaring van tijd beïnvloedt, maar dat het ook grote gevolgen heeft voor andere cruciale aspecten van een lacaniaanse therapie, zoals de overdracht, vrije associatie en gelijkzwevende aandacht.

TUSSEN PERSEPHONE & DEMETER: HET VROUWELIJKE OEDIPUSCOMPLEX HERBEZOCHT – OPNIEUW EN OPNIEUW EN OPNIEUW

Samenvatting: Met als doel de discussie omtrent het vrouwelijke oedipuscomplex te verdiepen, onderzoeken we in dit artikel de Demeter/Persephone-mythe. Andere auteurs pleitten eerder voor het meer centraal stellen van de moeder-dochterverhouding in de vrouwelijke triangulaire situatie. Zij schoven de Demeter/Persephone-mythe naar voor als een geschikt paradigma om het vrouwelijke oedipuscomplex te belichten. Tot nog toe behandelden zij de mythe in hun werk op een eerder oppervlakkige wijze. Met ons onderzoek willen wij daarin verandering brengen en de Demeter/Persephone-mythe als paradigma grondiger uitwerken. Een gedetailleerde bespreking van het verloop van de mythe aan de hand van geselecteerde fragmenten uit de Homerische hymne aan Demeter staat ons immers toe om verdere nuances aan te brengen in het begrip van het vrouwelijke oedipuscomplex. Daarbij focussen we eerst op het perspectief van Persephone, het meisje en het verlies van de onschuld; vervolgens op het perspectief van Demeter, de moeder en het verlies aan moeder-zijn; en ten slotte op ritmiek, noodzaak en onmogelijkheid in de cyclische hereniging van Demeter en Persephone aan het eind van de mythe.

DE HIK, TUSSEN HET GENOT VAN HET WOORD EN HET GENOT VAN HET LICHAAM

Samenvatting: De taal verknoopt zich met het lichaam in het symptoom. Vraag is op welke manier we deze symptomatologie, tussen het genot van het woord en het genot van het lichaam, kunnen horen en interpreteren. Aan de hand van twee casussen uit de filmgeschiedenis (Lubitsch) en de filosofiegeschiedenis (Plato) duiken we in het resonantiegebied van een opmerkelijk lichaamsgebeuren van het spreekwezen: de hik. We tonen aan dat de interpretatie die zich richt op de band tussen het spreken en het genot vaak bijzonder komisch is en kan zorgen voor het verlichtend effect van de lach.