Affiniteitsgerichte therapie (of de weerstaanbare terugkeer van een psychodynamische benadering voor de behandeling van autisme)

Doel. De auteurs wensen aan te tonen dat de affiniteitsgerichte therapie absoluut geen nieuwe pedagogische methode is, maar eerder de terugkeer inluidt van een psychodynamische methode. Methode. We plaatsen het verslag van Suskind over de uitweg van zijn zoon uit zijn autistisch isolement naast enkele andere recente getuigenissen uit de Angelsaksische pers, die van Julia Romp en Kristine Barnett, om de omstandigheden te begrijpen die momenteel de terugkeer van een psychodynamische benadering mogelijk maken. Resultaten. Het merendeel van de personen met autisme die in staat zijn te getuigen van een gesubjectiveerde uitweg uit hun autistisch isolement, en niet enkel van een oppervlakkige sociale aanpassing, getuigen van een parcours dat verloopt via de bewerking van hun boord, waar hun affiniteiten zich situeren. Die verdere uitwerking van de boord wordt bewerkstelligd door mutaties of vertakkingen, die soms zelfs leiden tot het verdwijnen van de boord. De verknoping van leerprocessen met het emotionele leven verloopt voor personen met autisme via een behandeling van de boord. Discussie. De affiniteitsgerichte therapie zoals in praktijk gebracht door Owen Suskind breekt met de vandaag aanbevolen educatieve benaderingen voor autistische subjecten door een verschuiving in de dynamiek van het weten. Het weten is in deze therapie niet langer het voorrecht van de opvoeder, maar is verplaatst naar de kant van het subject. Conclusies. Door het in rekening brengen van de passies, sterker dan henzelf, hier gevaloriseerd als affiniteiten en niet langer afgedaan als obsessies, door de bevoorrechte klemtoon op het subjectieve weten, en door het afgestemd zijn op de temporaliteit eigen aan het kind, is de affiniteitsgerichte therapie geen educatieve methode meer, maar wel degelijk de terugkeer van een psychodynamische methode.

The Wanderings of Jouissance, with the Object a in the Pocket: On Differential Diagnosis in Psychosis

In clinical practice, when confronted with a suspected psychosis, it is critical that, beyond simply providing a label, the diagnosis is verified and further specified with regard to the particular psychotic structure: paranoia, schizophrenia, mania, melancholia or autism. Each psychotic structure requires a specific kind of treatment. When this is clarified, it will allow us to take up an appropriate position in the transference and it to orient ourselves in relation to treatment. One approach is to determine the status of the object a and the jouissance within the logic of the case. For example, the paranoiac situates the jouissance in the Other, the schizophrenic will struggle with the jouissance in the body and the autistic subject will have troubles with language and the Other. In the case of melancholia we see that the subject fully identifies with the object a and finally, in mania, the object a will no longer function. Clinical examples of each of these structures are provided.