Samenvatting: Via een lezing van Plato’s Cratylus poogt de auteur tot een nader begrip te komen van het ‘cratylisme’, de doctrine die in de dialoog door Cratylus en voornamelijk door Socrates wordt verdedigd. Die doctrine wil dat de woorden imitatieve weergaven zijn van de dingen, en staat tegenover de conventionalistische opvatting van Hermogenes. Literatuurtheoretici als Roland Barthes en Gérard Genette hebben het cratylisme begrepen als een mythisch, in tegenstelling tot een wetenschappelijk, denken over taal. In dit voetspoor interpreteert de auteur het cratylisme als een infantiele taaltheorie, naar het model van Freuds infantiele seksuele theorieën. Vanuit een analyse van het centraal gedeelte van de dialoog, de etymologieën, en geïnspireerd door enkele specifieke commentaren van Lacan, komt de auteur tot een opvatting die deze van Genette op een belangrijk punt aanvult. Het cratylisme is niet alleen een regressieve nostalgische fantasie maar eerst en vooral een lustvol taalspel, en het is in het complexe samenspel tussen het weten over, het spelen met en het genieten van taal, dat de paradox van de dialoog en de relevantie ervan voor de psychoanalyse kan gevonden worden.