Het jaloerse subject benijdt het object van de ander maar het object van zijn jaloezie betreft het genot die de Ander ervan heeft. Het jaloerse genot (jalouissance) kan men begrijpen als vrees voor het verlies dat als het ware ‘verbouwd’ wordt in genot. Dit verlies is minder bepaald door de huidige scène van het jaloerse subject dan door het verlies inherent aan de taal. De positivering van het object geldt als beschermdijk tegen de fragiliteit van de symbolische verankering van het jaloerse subject.