Lange tijd werd verwezen naar mensen met een psychiatrische problematiek als gealiëneerden, vervreemden. De psychisch getroebleerde mens is bij uitstek een vervreemde mens: ingesloten, afgesloten, uitgesloten. Deze bijdrage verkent de manier waarop het psychiatrisch instituut – niet zozeer als concrete plaats, maar als abstracte locus van een menen-te-weten – die mens in zijn vreemdheid affirmeert en versterkt. In het bijzonder worden drie vervreemdingsprocessen geschetst, die niet alleen worden begrepen als vormen van onzichtbaar, ‘alledaags’ geweld, maar ook als potentiële voedingsbodem voor manifeste gewelddadige uitbarstingen. Het gaat respectievelijk om de hyperbolische fenomenalisering van het psychiatrisch subject, de uitbesteding van het psychisch lijden aan het biologisch lichaam [Körper], en de manier waarop het psychiatrisch landschap zich organiseert rond een allogene (economische) finaliteit. Het zijn gekende thema’s, die in deze paper worden belicht vanuit hun intrapsychische effecten. De schets nodigt uit tot een duiding van schijnbaar zinloos geweld als een vorm van opstand tegen de gewelddadigheid waarmee (1) het subject van zichzelf, en (2) de ‘goed geordende’ psychiatrie van haar finaliteit wordt vervreemd: het geduldige onthaal van de psychisch ontregelde mens.