Men doet wat men doet: Over psychiatrie en vervreemdend geweld

Lange tijd werd verwezen naar mensen met een psychiatrische problematiek als gealiëneerden, vervreemden. De psychisch getroebleerde mens is bij uitstek een vervreemde mens: ingesloten, afgesloten, uitgesloten. Deze bijdrage verkent de manier waarop het psychiatrisch instituut – niet zozeer als concrete plaats, maar als abstracte locus van een menen-te-weten – die mens in zijn vreemdheid affirmeert en versterkt. In het bijzonder worden drie vervreemdingsprocessen geschetst, die niet alleen worden begrepen als vormen van onzichtbaar, ‘alledaags’ geweld, maar ook als potentiële voedingsbodem voor manifeste gewelddadige uitbarstingen. Het gaat respectievelijk om de hyperbolische fenomenalisering van het psychiatrisch subject, de uitbesteding van het psychisch lijden aan het biologisch lichaam [Körper], en de manier waarop het psychiatrisch landschap zich organiseert rond een allogene (economische) finaliteit. Het zijn gekende thema’s, die in deze paper worden belicht vanuit hun intrapsychische effecten. De schets nodigt uit tot een duiding van schijnbaar zinloos geweld als een vorm van opstand tegen de gewelddadigheid waarmee (1) het subject van zichzelf, en (2) de ‘goed geordende’ psychiatrie van haar finaliteit wordt vervreemd: het geduldige onthaal van de psychisch ontregelde mens.

From Vis Viva to Bewegungskraft [motion force]. Freud’s Concept of “Psychic Energy” historicized

As suggested by Ricoeur (1965) the exact sciences have often provided the language by means of which Freud articulated the psychic apparatus, although the articulation itself is irreducible to the physico-physiological level. It is well known that in Jenseits des Lustprinzips (1920g), Freud stressed the need to “borrow words from biological science” and to use them as a “metaphorical language” in the description of psychological phenomena. This paper investigates the way in which the specific physicalist semantics of one such borrowed word, namely the concept of “(psychic) energy” conditioned Freud’s metapsychological formalization of the psyche. The general framework for this study is constituted by the historical conflict of interpretations (and more specifically by the antinomy between mechanical-causal and teleological interpretation) in the understanding of man and world. Through a sketch of the Vis Viva debate between Leibniz and Descartes at the beginning of modernity, two conceptual schemes pertaining to the concept of energy (as Bewegungskraft on the one hand, and dynamic essence on the other) will be made explicit, and interpreted along the lines of the historical tension between quantitative-physical and quantitative-metaphysical explanations. Consequently, it is demonstrated how the final affirmation of energy as kinesis in the 20th century influenced Freud in his theorizing, and impeded the explicit articulation of the subject as an intentional structure.