Geweldige zorgen?!

In 2018 koos het PCGS om het thema van de Prijs Humane zorg “Geweld, in al zijn manifestaties” onder de aandacht te brengen. Dergelijk thema creëerde een stuwend verlangen bij ons team, dat werkzaam is op de afdeling voor crisisbehandeling, om een tekst te schrijven over crisis en geweld. Deze getuigenis illustreert onze dagelijkse zoektocht naar creatieve verhoudingen ten aanzien van verschillende vormen van geweld.

Om de gelaagdheid van geweld aan te kaarten, doen we een beroep op de 3 ordes van Lacan. Wanneer Lacan schrijft over het symbolische, het imaginaire en het reële, dan construeert hij een denken over het spreekwezen. Deze theorieën doen het verschil tussen patiënt, hulpverlener en team teniet. Via een wandeling langs het symbolische, het imaginiare en het reële ontwarren we het concept geweld en bespreken we de uitgebreide waaier aan nuances in het koppel geweld & team. We zoomen in het bijzonder in op het gewelddadige langs de kant van een team enerzijds als noodzaak om destructiever geweld te voorkomen. We besluiten anderzijds met een gedachte eigen aan de psychoanalyse, namelijk de vereiste om jezelf in vraag te stellen en zodoende zicht te krijgen op het geweld dat deel uitmaakt van wie we zijn.

Sexting bij jongeren. Wat met de schaamte?

Jongeren doen in onze maatschappij steeds meer aan sexting: een praktijk waarbij er via smartphone of sociale media naaktfoto’s worden uitgewisseld. In het verleden werd dit fenomeen eerder benaderd als risicogedrag maar de laatste jaren wordt het meer en meer binnengebracht in een normaliserend discours, waarbij het doorsturen van naaktfoto’s past binnen een normale seksuele ontwikkeling. In dit artikel trachten we verder te gaan dan deze twee bewegingen, door sexting te benaderen vanuit een analytisch perspectief. Hierbij koppelen we de praktijk van sexting aan Lacans visie op schaamte en het idee dat dit affect in verval zou zijn in onze huidige maatschappij.

Genieten en genoten worden: een studie over genot aan deze en gene zijde van het lustprincipe

Genot is een van de kernconcepten binnen Lacans onderwijs. Dit artikel poogt iets van dit domein vast te grijpen, eerst vanuit filosofische hoek, vervolgens vanuit psychoanalytische hoek. Binnen het veld van de filosofie wordt het accent op Plato en Aristoteles gelegd. De eerste definieert genot als effect van wat iemand doet, de laatste als de manier waarop iemand iets doet. Beide filosofen koppelen genot aan het goede. Dit is waar het veld van de psychoanalyse een ander standpunt inneemt. Hoewel Freud aanvankelijk een heerschappij van het lustprincipe voorstelde, besluit hij dankzij het klinisch werk dat er een aan gene zijde van het lustprincipe moet bestaan. Lacan werkt deze piste verder uit via de fallische jouissance – wat begrepen wordt als seksueel genot en gereguleerd wordt door de fallische wet – en de Andere jouissance – een genot dat net als bij Aristoteles gekenmerkt wordt door de afwezigheid van het subject als subject. Deze laatste vaststelling wordt teruggevonden en beschreven in een klinisch vignet.

Unconscious structure in Sartre and Lacan

Throughout his career, Jean-Paul Sartre had a contentious theoretical relationship with psychoanalysis. Nowhere is this more evident than in his criticisms of the concept of the unconscious. For him, the unconscious represents a hidden psychological depth that is anathema to the notion of human freedom. In this paper, I argue that Lacan’s conception of the unconscious-structured-like-a-language overcomes many of Sartre’s most damning objections. I demonstrate that Lacan shares with Sartre a concern to rid the psyche of hidden depths. Both thinkers therefore reject the depth psychological conception of the unconscious and arrive at strikingly similar positions on the nature of the unconscious. In this way, I show that the conceptual analogues that Sartre develops in order to avoid the psychoanalytic unconscious lead him to a position on the unconscious with which Lacan could be in agreement. This indicates that Sartre’s philosophical position is not as at odds with Freudian-Lacanian psychoanalysis as is typically though.

The subject and the lie: from méconnaissance to mensonge

In this paper the author discusses Lacan’s changing theory of the subject in the early texts of the Écrits and relates it to the notion of “the lie” in psychoanalysis. As Lacan’s view of the subject shifts form the Imaginary to the Symbolic, the source of man’s primordial discord and alienation shifts from being located in the relationship to the image to finding its source in the relationship to the signifier. We could qualify the shift from an imaginary to a symbolic subject theory as a shift from one kind of not wanting to know to another, as a shift from one kind of lie to another. We discuss this as a shift from méconnaissance in the Imaginary to mensonge in the Symbolic. We conclude with a few remarks on the notion of truth in psychoanalysis, the consequences for clinical practice and the role of the psychoanalyst, who is now redefined as a practitioner of the symbolic function.