De grote ander in Žižeks christelijk atheïsme

Dit artikel onderzoekt wat Slavoj Žižek aanduidt met de notie christelijk atheïsme. Op basis van zijn vaststelling dat atheïsme niet alleen een deel is van het evangelie, maar er ook de kern van uitmaakt, stelt hij dat christelijk atheïsme de enige consequente geloofsvorm binnen het monotheïsme is. Daarbij wordt beargumenteerd dat zijn appreciatie voor de christelijke erfenis voornamelijk voortvloeit uit haar politiek- revolutionaire mogelijkheden. Het besef van Gods dood of het niet-bestaan van de grote Ander bewerkstelligt namelijk, ten gevolge van de vrijheid en liefde waarop christelijke atheïsten zijn teruggeworpen, een open horizon om subjectiviteit radicaal en emancipatief te herdenken.

Hegel and Lacan: subject, substance and their impossible relation

In this article, we are firstly going to reread Lacan’s famous formula of the subject. This formula, “A signifier represents the subject for another signifier”, remains in some respects opaque to say the least. Lacan, however, will not cease to repeat it throughout his teaching. Secondly, we will read a passage in the Preface to the Phenomenology of the Spirit in which Hegel returns to the dialectic between subject and substance. In these readings, we will outline that defining the subject comes, for both authors, together with its difference from what the subject is seemingly opposed to: structure, substance, Other. This difference is central and accentuates above all an impossible relation. Nonetheless, this impossible relation does not remain silent. Instead of being simply a relation between two terms – which would amount to their difference being only something theoretical (for thought) – it is rather that, in struggling with this impossible relation, both terms become actual (wirklich) in themselves. For Lacan, the relation between subject and Other fails, which makes it ‘not to stop (not) being written’. For Hegel, the relation between subject and substance is contradictory, but this contradiction is understood as the subject itself, which is nothing but substance’s own restlessness becoming ‘in itself’.

In order to define the stakes properly, we will pass through Descartes and (Hegel’s reading of) Spinoza, whose influence on Lacan and Hegel should not be underestimated. The first part of the article investigates how Lacan’s structural formula is an attempt to write the Cartesian subject without rendering it into a thinking substance. Descartes does understand the subject as a thinking substance from the extended substance, or shortly, as thought separated from being (which has become famous as the Cartesian dualism). The second part treats how the problems with this dualism – and with Spinoza’s monism which is to be the response to these – lead Hegel to write his own topology of the subject in relation to substance. The third part is an analysis of a joke during Stalinism which helps to illustrate the impossible relation between subject and Other (Lacan) or – which we read as overlapping – Hegel’s dialectics between subject and substance.

Suggestion and transference

Both Freud and Lacan distance themselves from any use of suggestion in analysis. Nevertheless, Lacan remarks in “The Direction of the Treatment and the Principles of its Power” both that there is a connection between suggestion and transference and that Freud was aware of that connection; namely that transference is itself an analysis of suggestion. Lacan will argue that transference is itself an analysis of suggestion in a very specific sense, namely to the extent that there is a kind of suggestion that directly supports the symbolic work intrinsic to analysis. The confusion is cleared up when one properly connects the fundamental rule of psychoanalysis with its origin in Freud’s experiments with suggestion and with the efficacy of working with signifiers.

Geweldige zorgen?!

In 2018 koos het PCGS om het thema van de Prijs Humane zorg “Geweld, in al zijn manifestaties” onder de aandacht te brengen. Dergelijk thema creëerde een stuwend verlangen bij ons team, dat werkzaam is op de afdeling voor crisisbehandeling, om een tekst te schrijven over crisis en geweld. Deze getuigenis illustreert onze dagelijkse zoektocht naar creatieve verhoudingen ten aanzien van verschillende vormen van geweld.

Om de gelaagdheid van geweld aan te kaarten, doen we een beroep op de 3 ordes van Lacan. Wanneer Lacan schrijft over het symbolische, het imaginaire en het reële, dan construeert hij een denken over het spreekwezen. Deze theorieën doen het verschil tussen patiënt, hulpverlener en team teniet. Via een wandeling langs het symbolische, het imaginiare en het reële ontwarren we het concept geweld en bespreken we de uitgebreide waaier aan nuances in het koppel geweld & team. We zoomen in het bijzonder in op het gewelddadige langs de kant van een team enerzijds als noodzaak om destructiever geweld te voorkomen. We besluiten anderzijds met een gedachte eigen aan de psychoanalyse, namelijk de vereiste om jezelf in vraag te stellen en zodoende zicht te krijgen op het geweld dat deel uitmaakt van wie we zijn.

Sexting bij jongeren. Wat met de schaamte?

Jongeren doen in onze maatschappij steeds meer aan sexting: een praktijk waarbij er via smartphone of sociale media naaktfoto’s worden uitgewisseld. In het verleden werd dit fenomeen eerder benaderd als risicogedrag maar de laatste jaren wordt het meer en meer binnengebracht in een normaliserend discours, waarbij het doorsturen van naaktfoto’s past binnen een normale seksuele ontwikkeling. In dit artikel trachten we verder te gaan dan deze twee bewegingen, door sexting te benaderen vanuit een analytisch perspectief. Hierbij koppelen we de praktijk van sexting aan Lacans visie op schaamte en het idee dat dit affect in verval zou zijn in onze huidige maatschappij.