GEEN TAAL ZONDER EFFECT: HET HERINNERINGSSPOOR EN HET WAARNEMINGSTEKEN

Samenvatting: Deze tekst analyseert twee concepten die van in het begin voor Freud belangrijk zijn geweest in het komen tot een gearticuleerde conceptie van het psychisch apparaat: het herinneringsspoor en het waarnemingsteken. Er wordt beargumenteerd dat deze concepten getuigen van een ‘effect-logica’, waarbij de zogenaamde eerste tijd voorafgaand aan het effect alleen maar achteraf, in een beweging van terugkeer, van herneming, van herhaling, als zodanig kan aangewezen worden. Daarbij speelt het formeel aspect, onder de vorm van een neerslag die hetzij merkteken hetzij signaalteken kan zijn, een cruciale rol. Het is de formele neerslag, samen met de driftmatige inbedding ervan, die een terugkeer mogelijk en articulerend maken. Deze logica is gelijkelijk voor Freud en Lacan werkzaam, en wordt hier in parallel geplaatst met wat een transcendentale logica beoogt. De aandacht voor deze logica heeft voor gevolg dat de betekenis en het begrijpen, hoewel niet onbelangrijk, toch secundair zijn, en niet de focus van aandacht kunnen zijn in het theoretisch of praktisch opvatten van het psychisch systeem vanuit psychoanalytisch oogpunt. Deze tekst is een eerste stap en zal in een volgende tekst aangevuld worden door een analyse van het concept van voorstellingsrepresentant, dat logisch aansluit bij de vorige twee en later ondervangen wordt door de conceptuele triade van Lacan, RSI, reëel, symbolisch, imaginair.

DE PARANOÏDE CRISISERVARING: MANOEUVREREN TUSSEN ZEKERHEID EN AMBIVALENTIE

Samenvatting: Deze paper zet aan vanuit een eigen, neurotische verwondering in ontmoeting met de kliniek van de psychose, meer specifiek rond de crisiservaring in de paranoia. Gecondenseerd rond de idee van ‘ambivalentie’ tracht deze een spoor te trekken dat drie momenten in Lacans onderwijs doorkruist en omspant: Lacans vroege werk over de paranoia aangezet vanuit zijn doctoraat, de scène van taal en betekenaar vanuit het opstel D’une question préliminaire à tout traitement de la psychose, en een topologische benadering vanuit het seminarie over Le sinthome. Het is mijn eerste betrachting dat langsheen dit parcours iets helder kan komen te staan van wat men de paranoïde crisis noemt. Daarnaast zal de idee van ‘ambivalentie’ doorheen deze verschillende contexten steeds nieuwe betekenisinhouden vinden en echo’s produceren. Zo zal duidelijk worden dat wat eruit ziet als een psychotische ‘ambivalentie’ beantwoordt aan een logica van verbrokkeling en ontkoppeling, altijd rond het punt dat de taal het subject binnenvalt, en welke antwoorden het hierop geformuleerd krijgt.

De grote ander in Žižeks christelijk atheïsme

Dit artikel onderzoekt wat Slavoj Žižek aanduidt met de notie christelijk atheïsme. Op basis van zijn vaststelling dat atheïsme niet alleen een deel is van het evangelie, maar er ook de kern van uitmaakt, stelt hij dat christelijk atheïsme de enige consequente geloofsvorm binnen het monotheïsme is. Daarbij wordt beargumenteerd dat zijn appreciatie voor de christelijke erfenis voornamelijk voortvloeit uit haar politiek- revolutionaire mogelijkheden. Het besef van Gods dood of het niet-bestaan van de grote Ander bewerkstelligt namelijk, ten gevolge van de vrijheid en liefde waarop christelijke atheïsten zijn teruggeworpen, een open horizon om subjectiviteit radicaal en emancipatief te herdenken.

Hegel and Lacan: subject, substance and their impossible relation

In this article, we are firstly going to reread Lacan’s famous formula of the subject. This formula, “A signifier represents the subject for another signifier”, remains in some respects opaque to say the least. Lacan, however, will not cease to repeat it throughout his teaching. Secondly, we will read a passage in the Preface to the Phenomenology of the Spirit in which Hegel returns to the dialectic between subject and substance. In these readings, we will outline that defining the subject comes, for both authors, together with its difference from what the subject is seemingly opposed to: structure, substance, Other. This difference is central and accentuates above all an impossible relation. Nonetheless, this impossible relation does not remain silent. Instead of being simply a relation between two terms – which would amount to their difference being only something theoretical (for thought) – it is rather that, in struggling with this impossible relation, both terms become actual (wirklich) in themselves. For Lacan, the relation between subject and Other fails, which makes it ‘not to stop (not) being written’. For Hegel, the relation between subject and substance is contradictory, but this contradiction is understood as the subject itself, which is nothing but substance’s own restlessness becoming ‘in itself’.

In order to define the stakes properly, we will pass through Descartes and (Hegel’s reading of) Spinoza, whose influence on Lacan and Hegel should not be underestimated. The first part of the article investigates how Lacan’s structural formula is an attempt to write the Cartesian subject without rendering it into a thinking substance. Descartes does understand the subject as a thinking substance from the extended substance, or shortly, as thought separated from being (which has become famous as the Cartesian dualism). The second part treats how the problems with this dualism – and with Spinoza’s monism which is to be the response to these – lead Hegel to write his own topology of the subject in relation to substance. The third part is an analysis of a joke during Stalinism which helps to illustrate the impossible relation between subject and Other (Lacan) or – which we read as overlapping – Hegel’s dialectics between subject and substance.

Suggestion and transference

Both Freud and Lacan distance themselves from any use of suggestion in analysis. Nevertheless, Lacan remarks in “The Direction of the Treatment and the Principles of its Power” both that there is a connection between suggestion and transference and that Freud was aware of that connection; namely that transference is itself an analysis of suggestion. Lacan will argue that transference is itself an analysis of suggestion in a very specific sense, namely to the extent that there is a kind of suggestion that directly supports the symbolic work intrinsic to analysis. The confusion is cleared up when one properly connects the fundamental rule of psychoanalysis with its origin in Freud’s experiments with suggestion and with the efficacy of working with signifiers.