ZENUWEN EN DE KUNST VAN HET MOTORONDERHOUD: HET ONDERWEG ZIJN VAN OLIVER SACKS

Dit artikel onderzoekt in een epistolaire stijl de verhouding tussen het verlangen en het weten in het autobiografische werk van de Britse neuroloog Oliver Sacks. In een fictieve briefwisseling tussen de auteur en Sacks wordt er ingegaan op de positie die deze laatste innam ten aanzien van zijn verlangen, de drift en het weten. In eerste instantie wordt er ingegaan op de notie van de romantische wetenschap. Sacks schreef wetenschappelijk werk dat leest als een roman. Het contrast met de objectiverende benadering van de klassieke wetenschappelijke literatuur wordt toegelicht en de verhouding tussen verlangen en weten wordt geproblematiseerd. Vervolgens wordt er ingegaan op Sacks’ vroege jeugd. Hierin wordt gesuggereerd dat Sacks het weten gebruikte als een bescherming tegen het driftmatige van een wrede ander. Tegelijk wordt hij geconfronteerd met de wreedheid van het wetenschappelijke weten zelf via de figuur van zijn moeder. Daarna wordt er ingegaan op het volwassen leven van Sacks. Met het intreden van de seksualiteit tijdens de puberteit en de verwerping daarvan door zijn moeder ontstaat er een breuk tussen weten en verlangen. Op beide vlakken worstelt Sacks en hij zal steeds zoeken naar een verzoening tussen de twee middels de romantische wetenschap. Intussen richt de drift ravages aan op de achtergrond. In een nabeschouwing staat de auteur stil bij de notie van zen als een rust die wordt bereikt na het doormaken van een crisis.

Over het ontstaan van het zelfbewuste subject in Fichtes ‘Grondslag van de wetenschapsleer’

In dit artikel analyseer ik Fichtes subjectiviteitstheorie zoals gepresenteerd in zijn bekendste werk, namelijk Grondslag van de gezamenlijke hele wetenschapsleer (1794/95). Ik zal op de specifieke betekenis focussen die Fichte in deze werken geeft aan volgende concepten: de categorische imperatief, streven (Streben), gevoel (Gefühl), drive (Trieb) en verlangen (Sehnen). Daarmee wil ik enig licht werpen op een van de cruciale momenten van wat ik beschouw als de voorgeschiedenis van de psychoanalyse, namelijk de filosofische theorieën over zelfbewustzijn en co constitutie van subjectiviteit en objectiviteit tussen Kant en Hegel die hebben getracht te conceptualiseren wat de psychoanalyse later kende als het gesplitste subject, de doodsdrift, het onbewuste en de triade van het symbolische, het imaginaire en het reële.