Genieten en genoten worden: een studie over genot aan deze en gene zijde van het lustprincipe

Genot is een van de kernconcepten binnen Lacans onderwijs. Dit artikel poogt iets van dit domein vast te grijpen, eerst vanuit filosofische hoek, vervolgens vanuit psychoanalytische hoek. Binnen het veld van de filosofie wordt het accent op Plato en Aristoteles gelegd. De eerste definieert genot als effect van wat iemand doet, de laatste als de manier waarop iemand iets doet. Beide filosofen koppelen genot aan het goede. Dit is waar het veld van de psychoanalyse een ander standpunt inneemt. Hoewel Freud aanvankelijk een heerschappij van het lustprincipe voorstelde, besluit hij dankzij het klinisch werk dat er een aan gene zijde van het lustprincipe moet bestaan. Lacan werkt deze piste verder uit via de fallische jouissance – wat begrepen wordt als seksueel genot en gereguleerd wordt door de fallische wet – en de Andere jouissance – een genot dat net als bij Aristoteles gekenmerkt wordt door de afwezigheid van het subject als subject. Deze laatste vaststelling wordt teruggevonden en beschreven in een klinisch vignet.

Freud and the Metaphors of Writing

In this paper, our point of departure is Plato’s Phaedrus-dialogue, in which the role and meaning of writing for memory are assessed, focusing special attention on Plato’s evaluation of writing. The use of writing-metaphors in elaborating the model of the psychic apparatus in a number of Freud’s texts is also discussed. Relying on Derrida’s interpretation (1967), the Project (1950c [1895]) is our starting point and the Note on the Wonder-block of 30 years later rounds off the discussion. Tracing Freud’s development, it becomes apparent that the model of the psychic apparatus gains support as the notion of facilitation is further elaborated based on the metaphor of writing or letter. The Platonic distinction between writing as supporting memory and writing as a “true writing in the soul” is encountered again in Freud’s work.