FREUD OVER MANIE EN MELANCHOLIE

Samenvatting: In deze bijdrage bespreken we Freuds theorievorming over de manie. Daar deze zich steeds in de context van zijn beschouwingen over de melancholie afspeelt, volgen we het parcours van zijn denken over melancholie en manie doorheen zijn oeuvre. We staan eerst stil bij de vroege, eerder fragmentarische theorievorming in de brieven en manuscripten, waar de melancholie en de manie occasioneel aan bod komen zonder echter een solide conceptuele vorm te krijgen. Freud concludeert in 1910 dat het psychoanalytisch begrip van zowel de melancholie als de manie nog maar weinig gevorderd is. Voor een theorie over melancholie en manie is het wachten op Rouw en melancholie. Freud vat er de melancholie op als een reactie op objectverlies – al is niet zo duidelijk wat er precies verloren is – en tegelijk een identificatie met dit verloren object, wat Freud aanduidt met de formule dat “de schaduw van het object op het Ik” gevallen is. De manie wordt er opgevat als triomf, waarover is nog niet zo duidelijk. In Massapsychologie en Ik-analyse verbijzondert Freud zijn eerdere redenering. Het in de melancholie verwijtende deel wordt gespecificeerd als het Ik-Ideaal, en dit is nu ook waarover in de manie getriomfeerd wordt. Na de ontwikkeling van de notie van de doodsdrift verandert het Ik-Ideaal, nu Boven-Ik, van karakter: het wordt driftiger en wreedaardiger. Dit werpt een nieuw licht op de melancholie, maar wordt door Freud niet verder toegepast op de manie. Over de manie doorheen Freuds parcours concluderen we dat deze aan bod komt in zowat elke theoretische wending, daarbij echter vooral theorie blijft en deze theorie ook telkens op haar limieten wijst.

PP_39_01_2021_Rabaey – Freud en manie melancholie

GEEN TAAL ZONDER EFFECT: HET HERINNERINGSSPOOR EN HET WAARNEMINGSTEKEN

Samenvatting: Deze tekst analyseert twee concepten die van in het begin voor Freud belangrijk zijn geweest in het komen tot een gearticuleerde conceptie van het psychisch apparaat: het herinneringsspoor en het waarnemingsteken. Er wordt beargumenteerd dat deze concepten getuigen van een ‘effect-logica’, waarbij de zogenaamde eerste tijd voorafgaand aan het effect alleen maar achteraf, in een beweging van terugkeer, van herneming, van herhaling, als zodanig kan aangewezen worden. Daarbij speelt het formeel aspect, onder de vorm van een neerslag die hetzij merkteken hetzij signaalteken kan zijn, een cruciale rol. Het is de formele neerslag, samen met de driftmatige inbedding ervan, die een terugkeer mogelijk en articulerend maken. Deze logica is gelijkelijk voor Freud en Lacan werkzaam, en wordt hier in parallel geplaatst met wat een transcendentale logica beoogt. De aandacht voor deze logica heeft voor gevolg dat de betekenis en het begrijpen, hoewel niet onbelangrijk, toch secundair zijn, en niet de focus van aandacht kunnen zijn in het theoretisch of praktisch opvatten van het psychisch systeem vanuit psychoanalytisch oogpunt. Deze tekst is een eerste stap en zal in een volgende tekst aangevuld worden door een analyse van het concept van voorstellingsrepresentant, dat logisch aansluit bij de vorige twee en later ondervangen wordt door de conceptuele triade van Lacan, RSI, reëel, symbolisch, imaginair.

Suggestion and transference

Both Freud and Lacan distance themselves from any use of suggestion in analysis. Nevertheless, Lacan remarks in “The Direction of the Treatment and the Principles of its Power” both that there is a connection between suggestion and transference and that Freud was aware of that connection; namely that transference is itself an analysis of suggestion. Lacan will argue that transference is itself an analysis of suggestion in a very specific sense, namely to the extent that there is a kind of suggestion that directly supports the symbolic work intrinsic to analysis. The confusion is cleared up when one properly connects the fundamental rule of psychoanalysis with its origin in Freud’s experiments with suggestion and with the efficacy of working with signifiers.

Genieten en genoten worden: een studie over genot aan deze en gene zijde van het lustprincipe

Genot is een van de kernconcepten binnen Lacans onderwijs. Dit artikel poogt iets van dit domein vast te grijpen, eerst vanuit filosofische hoek, vervolgens vanuit psychoanalytische hoek. Binnen het veld van de filosofie wordt het accent op Plato en Aristoteles gelegd. De eerste definieert genot als effect van wat iemand doet, de laatste als de manier waarop iemand iets doet. Beide filosofen koppelen genot aan het goede. Dit is waar het veld van de psychoanalyse een ander standpunt inneemt. Hoewel Freud aanvankelijk een heerschappij van het lustprincipe voorstelde, besluit hij dankzij het klinisch werk dat er een aan gene zijde van het lustprincipe moet bestaan. Lacan werkt deze piste verder uit via de fallische jouissance – wat begrepen wordt als seksueel genot en gereguleerd wordt door de fallische wet – en de Andere jouissance – een genot dat net als bij Aristoteles gekenmerkt wordt door de afwezigheid van het subject als subject. Deze laatste vaststelling wordt teruggevonden en beschreven in een klinisch vignet.

The Violence of Right: Rereading ‘Why War?’

In this contribution, the often neglected correspondence ‘Why War?’ (Freud, 1933b) is presented as the locus classicus of Freud’s account of ‘Right and Violence’. In the discussion with Freud, Einstein’s position appears in the light of Kant’s Toward Perpetual Peace. It is exemplary of the dominant liberal conception of international law as the ultimate means for world peace. This contribution problematizes the debate between Freud and Einstein by its confrontation with the legal philosophy of Hans Kelsen, who is renown as the ‘Einstein of Law’. It is argued that Freud subscribes to Einstein’s and Kelsen’s liberalism in order to radically criticize it. Based on his own conception of right as considered to be a temporary incantation of violence, Freud scrutinizes the liberal possibility of ‘peace through international law’.