FROM MASS TO MESS: IDENTIFICATION AND ITS DISCONTENTS

Summary: Getting to the heart of Freud’s Massenpsychologie, from one angle, depends on an understanding of the term ‘identification’ in Freud, precisely as, analysis of the ego. The problem is that, according to Freud, and his faithful reader, Lacan: There is no identification. Always moving between a form of unity or unification and a singular trait that is not part of whole, a complex movement and the mere appearance of unity in dreams, speech, or symptom formation, introjection of the other and projection of the ego, identification is itself the paradox of a one that psychoanalysis constantly dissolves, complicates, indeed multiplies. What problems does this pose to the psychoanalytic meta- psychological conceptual edifice, no less the very clinical practice of psychoanalysis itself? And how can we extend this to the question of hysteria and the contagion of mass psychology?

FREUD’S MASS PSYCHOLOGY TODAY: PSYCHOANALYSIS, POLITICS AND POPULISM IN THE AGE OF POST-TRUTH

Abstract: This year marks one century from the first publication of Mass Psychology and the Analysis of the Ego by Sigmund Freud. What has been the importance of this text for social and political inquiry diachronically? What is its relevance today? It is to these two questions that this text is devoted. Attention is first given to the broader choreography between psychoanalysis and socio-political inquiry. Focus is then directed to the way populism research in particular has benefited from the ensuing re-orientation. Debates around ‘post-truth’ are also discussed within this context.

VAN FREUDS BUBIKOPF NAAR LYNCH’ ERASERHEAD

Samenvatting: In ‘Van Freuds Bubikopf naar Lynch’ Eraserhead’ onderzoekt Geldhof hoe Freud zich verhield tot de cinema als kunstvorm. Freud was uitgesproken negatief, getuige zijn vernietigende kritiek op het project van Pabst om een gevalstudie te verfilmen. Volgens Geldhof geeft Freud enkele terechte kritieken op deze specifieke toepassing van psychoanalyse binnen een artistiek medium, maar rechtvaardigt dit niet zijn veralgemeende negatieve kritiek op film als dusdanig. Om dit te illustreren neemt Geldhof Lynch bij de hand, die als geen ander net Freuds stelling bevestigt dat de kunstenaars psychoanalytici iets te leren hebben.

FREUD OVER MANIE EN MELANCHOLIE

Samenvatting: In deze bijdrage bespreken we Freuds theorievorming over de manie. Daar deze zich steeds in de context van zijn beschouwingen over de melancholie afspeelt, volgen we het parcours van zijn denken over melancholie en manie doorheen zijn oeuvre. We staan eerst stil bij de vroege, eerder fragmentarische theorievorming in de brieven en manuscripten, waar de melancholie en de manie occasioneel aan bod komen zonder echter een solide conceptuele vorm te krijgen. Freud concludeert in 1910 dat het psychoanalytisch begrip van zowel de melancholie als de manie nog maar weinig gevorderd is. Voor een theorie over melancholie en manie is het wachten op Rouw en melancholie. Freud vat er de melancholie op als een reactie op objectverlies – al is niet zo duidelijk wat er precies verloren is – en tegelijk een identificatie met dit verloren object, wat Freud aanduidt met de formule dat “de schaduw van het object op het Ik” gevallen is. De manie wordt er opgevat als triomf, waarover is nog niet zo duidelijk. In Massapsychologie en Ik-analyse verbijzondert Freud zijn eerdere redenering. Het in de melancholie verwijtende deel wordt gespecificeerd als het Ik-Ideaal, en dit is nu ook waarover in de manie getriomfeerd wordt. Na de ontwikkeling van de notie van de doodsdrift verandert het Ik-Ideaal, nu Boven-Ik, van karakter: het wordt driftiger en wreedaardiger. Dit werpt een nieuw licht op de melancholie, maar wordt door Freud niet verder toegepast op de manie. Over de manie doorheen Freuds parcours concluderen we dat deze aan bod komt in zowat elke theoretische wending, daarbij echter vooral theorie blijft en deze theorie ook telkens op haar limieten wijst.

PP_39_01_2021_Rabaey – Freud en manie melancholie

GEEN TAAL ZONDER EFFECT: HET HERINNERINGSSPOOR EN HET WAARNEMINGSTEKEN

Samenvatting: Deze tekst analyseert twee concepten die van in het begin voor Freud belangrijk zijn geweest in het komen tot een gearticuleerde conceptie van het psychisch apparaat: het herinneringsspoor en het waarnemingsteken. Er wordt beargumenteerd dat deze concepten getuigen van een ‘effect-logica’, waarbij de zogenaamde eerste tijd voorafgaand aan het effect alleen maar achteraf, in een beweging van terugkeer, van herneming, van herhaling, als zodanig kan aangewezen worden. Daarbij speelt het formeel aspect, onder de vorm van een neerslag die hetzij merkteken hetzij signaalteken kan zijn, een cruciale rol. Het is de formele neerslag, samen met de driftmatige inbedding ervan, die een terugkeer mogelijk en articulerend maken. Deze logica is gelijkelijk voor Freud en Lacan werkzaam, en wordt hier in parallel geplaatst met wat een transcendentale logica beoogt. De aandacht voor deze logica heeft voor gevolg dat de betekenis en het begrijpen, hoewel niet onbelangrijk, toch secundair zijn, en niet de focus van aandacht kunnen zijn in het theoretisch of praktisch opvatten van het psychisch systeem vanuit psychoanalytisch oogpunt. Deze tekst is een eerste stap en zal in een volgende tekst aangevuld worden door een analyse van het concept van voorstellingsrepresentant, dat logisch aansluit bij de vorige twee en later ondervangen wordt door de conceptuele triade van Lacan, RSI, reëel, symbolisch, imaginair.