L’ART D’ÊTRE AIMÉ(E). DE EROTOMANIE ALS POTENTIËLE BUFFER TEGEN DE PASSAGE À L’ACTE.

Samenvatting: In dit artikel wordt de dissertatie van Jacques Lacan over het geval Aimée opnieuw onder de loep genomen. Meer bepaald wordt aan de hand van een uitgewerkt casusvoorbeeld nagegaan of de erotomanie moet beschouwd worden als een bemeesteringspoging tegen de passage à l’acte, dan wel als overspoelende waanvoorstelling. De oorsprong en evolutie van het begrip worden uitvoerig besproken om nadien de sprong te maken naar de kliniek. Aan de hand van een eigen gevalstudie wordt er stilgestaan bij de singulariteit van een dergelijke erotomane constructie en de functie ervan voor de persoon in kwestie. De beroemde casus van Aimée dient hierbij als extra referentiepunt om voeling te krijgen met dit psychoanalytische concept.

A case of erotomania

Psychiatric classification of erotomania yields a variety of possibilities, situating erotomania along a continuum with personality disorders on one end and the schizophrenic disorders at the other end. The “Postulat Fondamental” of de Clérambault breaks with this tradition. With Freud and Lacan it gives rise to a structural analysis. In considering the relation to the Other, it facilitates the differentiation between erotomanic (psychotic) and neurotic (hysterical) structures. In this case special attention is given to the fragile libidinal balance, a support supplying erotomania that can easily tip over into a terrifying eroticomania.