Patiënten en hulpverleners getuigen soms over situaties waarin hulpverlening een ‘hel’ werd. Patiënten vaak omdat ze dwang- en drangmaatregelen moeten ondergaan, hulpverleners omdat ze steeds meer in richtingen worden gedwongen die ze niet willen. Ondanks goede bedoelingen in de zorg, kan de weg naar de hel geplaveid worden. Er is met andere woorden vaak een discrepantie tussen de mooie taal van visieteksten en wat mensen in concrete zorgsituaties ervaren. Deze incongruentie zorgt bij patiënten en/of hulpverleners voor erg grote spanningen. In dit artikel wordt stilgestaan bij de vraag wat nodig is om die discrepantie te vermijden. Eerst wordt stilgestaan bij de vraag hoe het goede in geestelijke gezondheidszorg gedacht kan worden en welke plaats ‘moed’ hierin heeft. Vanuit de realiteit van residentiële zorg wordt vervolgens ingegaan op de noodzaak van het verzorgen van ‘het kleine samenleven’ op een afdeling en hoe ‘het goede’ en moed hierin een plek hebben. In een laatste deel wordt ingegaan op de effecten hiervan op dwang- en drangmaatregelen binnen een gesloten opname- en behandeleenheid voor mensen met een psychose.